Opvoeden in het spoor van Don Bosco

De Salesiaanse stijlkenmerken

Het pedagogisch handelen van Don Bosco kan als volgt omschreven worden. Hetpreventief systeem berust geheel en al op de rede, de godsdienstigheid en de hartelijkheid; het doet geen beroep op dwangmiddelen maar op de krachten van het verstand, van het hart en het verlangen naar God, dat iedere mens diep in zich draagt. Het brengt opvoeders en jongeren bijeen tot een gezamenlijke levenservaring in een klimaat van vriendschap en in een sfeer van vertrouwen en dialoog.

Uit deze bondige omschrijving van zijn werkwijze met jongeren, waarin inhoud en stijl door elkaar verweven zijn – zoals vaak bij hem – proberen wij de typische kenmerken van een salesiaanse opvoedingsstijl te systematiseren. Meer gestructureerd onderscheiden we dan: de pedagogische liefde, het familiaal leefklimaat de assistentie en de interactie tussen opvoeder en jongere. Bovendien zal blijken dat dit pedagogisch programma moeilijk te verwezenlijken is als men er allĆ©Ć©n voor staat. Daarom besteden we ook aandacht aan de opvoedingsgemeenschap.

De pedagogische liefde

Wij kennen velerlei vormen van liefde tussen mensen: kinderliefde, partnerliefde, naastenliefde… Het zijn zo vele aspecten van de liefde die telkens een ander gezicht krijgt. Met pedagogische liefde wordt dan de liefdevolle betrokkenheid van opvoeder op jongeren bedoeld. Don Bosco gebruikt hiervoor de term ‘amorevollezza’, een liefdevolle welwillendheid. In een pedagogische liefde dienen beide elementen van het woord hun kracht te bewaren: de warmte van de spontane liefde en de spankracht van het willen.

Wanneer Don Bosco hierover spreekt, haalt hij vaak Paulus aan: de liefde is goedgunstig, zij verdraagt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles… Hiermee duidt hij op de dieptedimensie van de pedagogische liefde: zij deelt in de liefde van God voor de mens. Zij blijft bovendien steeds redelijk, vol gezond verstand. Zij heeft ook de warmte van echte liefde. Dit alles vindt men zelfs terug bij de uitoefening van gezag. Soms vatte Don Bosco heel zijn pedagogische handelwijze samen in drie woorden: hartelijkheid, redelijkheid en geloof als de typerende kenmerken van deze pedagogische liefde.

Hartelijkheid

Deze liefde is een authentiek menselijke liefde in woord en daad. Zij is persoonsgericht: concreet en voelbaar in wederzijdse hartelijkheid. Zij toont zich in waarachtige interesse. Zij uit zich ook in bevestiging en groeiende, onbaatzuchtige aanvaarding van de jongeren als persoon, zodat zij zichzelf kunnen worden. Zo versterken zij hun relatiebekwaamheid en hun geloof in de anderen en verwerven zij het noodzakelijk gevoel van zelfwaarde.

De hartelijkheid van de opvoeder beantwoordt aan de psychologische grondbehoefte van iedere mens om in welwillendheid te worden opgenomen en tot een affectief bevredigende relatie te komen. Zij kleurt de opvoeding als een belangloze liefde, als diep-menselijke betrokkenheid.

Deze hartelijkheid is bovendien niet alleen een welwillendheid, diep in het hart van de opvoeder. Zij moet voelbaar worden voor de jongeren en als zodanig ervaren worden. Dan voelen de jongeren de pedagogische zorg van de opvoeder als een wekkende kracht. Zij doet hen in zichzelf geloven en hun eigen mogelijkheden ontdekken. De jongeren beantwoorden dan de ontvangen hartelijke liefde met een persoonlijke wederliefde. Op die wijze ontstaat er een pedagogische relatie en zonder deze is geen opvoeding mogelijk.

Redelijkheid

De redelijkheid is een ruim en ook moeilijk begrip binnen de pedagogische liefde, niet zo gemakkelijk te omschrijven. Redelijkheid leunt aan bij gezond verstand en het spreekt vanzelf dat enkel waar ‘verstandig’ wordt opgevoed, een persoonlijkheid kan ontstaan.

De redelijkheid brengt eenvoud en ongekunsteldheld in de relatie. Zij vermijdt gezochte complicaties en draagt vooral zorg voor het gewone, het spontane en natuurlijke in de omgang met de jongeren. Die redelijkheid doet de opvoeders ook rekening houden met de beginsituatie. Het is immers niet redelijk de eigen mogelijkheid van de jongeren niet te verrekenen in het pedagogisch handelen. Vandaar dat zij steeds bewust blijven dat opvoeden een geleidelijk proces is, dat stap voor stap verloopt. Daarom ook stellen zij geen eisen en normen die voor de jongeren te hoog liggen. Zij zijn ook bereid hun pedagogisch handelen en optreden toe te lichten en te verantwoorden tegenover de jongeren.

In de pedagogische liefde vervult het gezond verstand ook nog een andere functie. Het is een aanvulling van en een correctie op de hartelijkheid en het gevoel. Niet ieder gevoelig beleven van ‘welbehagen’ leidt tot blijvend ‘welzijn’ of komt de uiteindelijke positieve ontwikkeling van de jongeren ten goede. Met gezond verstand brengt de opvoeder de jongeren inzicht bij in de waarheid en leert hij hen ook hoe zij die kunnen hanteren. Hij wil de jongeren begeleiden in de realisatie van een zinvol levensproject. Daarom helpt hij hen bij het ontdekken van een juiste waardenhiĆ«rarchie en bij het ordenen van gevoelens. Die hulp bestaat niet in het voorhouden van een theoretisch model, maar is een waardenoverdracht door voorleven en inzicht bieden. Zo kunnen de jongeren geleidelijk zelf de stap zetten naar een gedifferentieerde waardenbeleving.

De redelijkheid zet de opvoeder ertoe aan de jongeren te behoeden voor schadelijke invloeden die hun zelfwording en geluk in de weg staan. Dit kan soms een ā€˜neen’ van de opvoeder inhouden op een of andere vraag of verlangen van de jongeren. Op het eerste gezicht kan zo een ‘neen’ pijnlijk overkomen en de pedagogische relatie wat vertroebelen. juist hierin laat de redelijkheid zich echter kennen als een correctie op een te gevoelsmatig handelen. Zij gaat voorbij aan de onredelijke gevoelselementen omdat zij oog heeft voor een uiteindelijk groter goed.

Geloof

Opvoeden in het spoor van Don Bosco, dat werd al duidelijk, is opvoeden als gelovige tot gelovige. (Dit laatste – tot gelovige – werd reeds omschreven bij de basisdoelstellingen. Hier gaat het over de gelovige stijl waarin de opvoeder optreedt.)

Vanuit de concrete realiteit moet dan al dadelijk gesteld dat niet iedere opvoeder tot deze levenshouding gegroeid is en deze gelovige ondergrond van het bestaan even sterk onderschrijft. Toch blijft het een belangrijk streefdoel in de verwezenlijking van een gelovig opvoedingsproject. Ondertussen echter mag het voor iedereen duidelijk zijn dat, hoe klein ook de gelovigheid is, God ermee werkt. Ook dit kleine steentje is een bijdrage tot het geheel.

Vanuit het eigen geloof, en in de mate dat dit levensrealiteit is, vindt de christelijke opvoeder telkens opnieuw de kracht de grens van de pedagogische activiteit te verleggen: niet te blijven staan bij menselijke verworvenheden maar door te stoten naar het wezenlijke, nl. dat jongeren gevoelig worden voor de genade van Gods liefde.

Dit eigen proces van de opvoeder zal gemakkelijker verlopen als hij Jezus Christus tot voorbeeld neemt. Hoe Hij met hart en ziel de verdrukte, machteloze, onmondige mens nabij was; hoe Hij voor hen als een goede herder optrad. Zo zal een opvoeder ook nu van meer geloof getuigen door de dagelijkse zorg voor de machteloze en verwaarloosde jongeren van vandaag, mƩƩr dan door veel woorden over en kennis van het geloof. En het moet zeker gezegd dat men tegenover de gelovige dimensie van het bestaan geen verstoppertje kan spelen en geen neutraal standpunt kan innemen. Ofwel brengt men door de eigen levenshouding mensen tot geloof ofwel breekt men hun geloof af door het niet ter sprake te brengen en door niet uit te komen voor de eigen geloofsovertuiging.

Don Bosco kon zijn jongeren tot gelovigheid brengen omdat in zijn persoon het boeiende van een gelovige levenshouding tot iets aantrekkelijks werd. Los van de misschien nog onvolmaakte realiteit die een opvoeder op dit vlak beleeft, blijft het een uitdagende opdracht vanuit het eigen geĆÆntegreerd geloof jonge mensen mondig te maken in hun geloofsbeleving.

Pedagogische gezag

Welke rol speelt het gezag in de pedagogische liefde? Het zou immers niet de eerste keer zijn dat een opvoeder zich verliest in een sterke betrokkenheid op de jongeren. Want in deze hartelijke sfeer en deze welwillende liefde is het niet denkbeeldig dat in de wisselwerking tussen opvoeder en jongere deze laatste de lakens gaat uitdelen.

Het moet dadelijk gezegd dat men zeker in deze opvoedingsstijl met gezag moet optreden. Maar even vlug moet gesteld dat de gezagsuitoefening moet gebeuren binnen de bestaande en reƫle affectieve relatie tussen opvoeder en jongere. De wijze van gezag uitoefenen wordt dus bepaald door de pedagogische liefde, door de opvoedingsstijl van hartelijkheid, redelijkheid en geloof. Zo groeit een vertrouwensrelatie waarin de vrijheid van de ander gerespecteerd wordt. De positieve ervaringen, die de jongeren binnen de relatie opdoen, brengen hen ertoe die verbondenheid in stand te houden en steeds opnieuw aan te gaan, ook wanneer er eisen worden gesteld.

Gezag is dan ook nauw verbonden met gezond verstand, met liefde en geloof in de jonge mens. Daarom moet de opvoeder zich de vraag stellen wat hij als mens, ook buiten de officiƫle functie, te bieden heeft. In die zin kan gezag niet beschouwd worden los van het voorgaande en het volgende in dit hoofdstuk.

Gezag verwerven gebeurt niet door veel toe te geven, maar door te durven eisen. Dit is meestal een geleidelijk proces. Vooral wie jong is in de opvoeding heeft tijd nodig om rust en zelfvertrouwen te krijgen, nodig om zacht en toch gezagvol aan opvoeding te doen. Dan eerst lukt het de opvoeder, ook als hij op weerstand stuit en eisen moet stellen, duidelijk rechtvaardig te zijn en steeds nieuwe kansen te bieden. De jongeren moeten ervaren en weten dat het om hun geluk, om hun toekomst en verrijking gaat. Leefregels en schoolreglementen kunnen een hulpmiddel zijn of een houvast in het uitstippelen van een rechtvaardige aanpak maar helpen niet zo dadelijk om gezag te verwerven. Dit zit binnen in de opvoeder en wordt bepaald door innerlijke vrede, liefde en toewijding.

De wijze van gezagsuitoefening in het spoor van Don Bosco doet een beroep op het verstand en het geweten van de jonge mens. Alleen in uitzonderingsgevallen neemt de opvoeder zijn toevlucht tot andere maatregelen.

Don Bosco zelf heeft slechts weinig bladzijden over straf geschreven. Dit is al typerend. In enkele gedachten geeft hij duidelijk te verstaan dat de straf nooit het eerste middel is om afkeuring en ongenoegen te kennen te geven. De straf is het laatste middel om een fout goed te maken. Zelfs dan nog moet ze binnen de opvoedkundige relatie een uiting zijn van hartelijkheid en redelijkheid. Zij moet er steeds op bedacht zijn de affectieve relatie tussen opvoeder en jongere niet te breken. Ook bij een strafmaatregel moeten de jongeren voelen dat zij nieuwe kansen krijgen.

Wanneer naar vormen gevraagd wordt, zal Don Bosco voorzichtig laten horen dat de straf voor een jongere datgene is wat een opvoeder als straf laat doorgaan: zowel het weerhouden van een vriendelijk woord als de strengste klassieke strafmaatregel kunnen al dan niet als dusdanig aangevoeld worden door de jongere. Doch er zal eerst met de jongere persoonlijk, soms ook met de groep, gesproken moeten worden. En het wijst op redelijkheid nooit onmiddellijk te straffen, maar eerst te onderzoeken en te bespreken.

Bij de straf is het de uiteindelijke bedoeling de jongeren iets te leren voor de toekomst. Een straf moet hen meer motiveren. Zij moeten er beter van worden.

Het familiaal leefklimaat

Een tweede kenmerk van Don Bosco’s manier van opvoeden is het familiaal leefklimaat. Hij gelooft sterk in de spontaan opvoedende kracht van de groepssfeer: hij wenst daarom in zijn huizen een familiaal leefklimaat. Het mag/ moet eraan toegaan zoals dit gebeurt in een goed gezin waar betrokkenheid op elkaar, hartelijkheid, zorg voor elkaar, verantwoordelijkheid en gezelligheid het leven aangenaam maken. Hij weet immers dat er dikwijls meer invloed uitgaat van een gelukkige sfeer van het milieu dan van de uitdrukkelijke bewuste bijdrage van de opvoeders.

Vandaar de grote zorg voor het leefklimaat: alles wat een sfeer schept waarin de jongere zich thuis voelt, aanvaard wordt, zich welkom weet, wordt bewust en met zorg bevorderd,

Zo een sfeer ontstaat slechts wanneer allen, opvoeders en jongeren, eraan mee bouwen. Hier krijgen vindingrijkheid en empathie van de opvoeders een grote kans: gevoelig worden voor vreugde, vertrouwen, openheid, ongekunsteldheid, spontaniteit en vlotte communicatie. Toch passen in zo een sfeer ook orde, reglementen, afspraken en voorschriften maar zij kunnen gerelativeerd worden vanuit andere waarden. Bij dit alles zou de jongere de smaak moeten krijgen positief mee te werken.

Want dit wordt wel van de jongeren verwacht: dat ook zij zo een sfeer doen groeien. Sociale gerichtheid is hier niet alleen doel in de opvoeding, ze wordt ook middel en hefboom in het geheel. Zoals in een gezin de oudere kinderen bijna als vanzelfsprekend de jongere helpen, zo blijft het ook een aandachtspunt dat de oudste jongens of meisjes in een groep of klas zin en kansen krijgen om verantwoordelijkheid te dragen over anderen. Op die wijze wordt de jongere mede-opvoeder.

Omwille van deze kijk op de opvoedingsrealiteit zoekt Don Bosco vele mogelijkheden om in zijn huis het feestelijke te bevorderen. Eentonigheid is uit de boze. Ieder opvoedingsmidden schept dan ook zijn eigen wegen om dit feestelijke en deze creativiteit te bevorderen. Sport en spel, toneel en muziek zijn geƎigende vormen hiervoor. Doch meer dan dit alles zal de opvoeder door een verrassende vindingrijkheid kleur en klank weten te brengen in het ritme van iedere dag en op een aantrekkelijke wijze de kunst verstaan telkens opnieuw iets te vieren.

Iets feestelijk en familiaals was bij Don Bosco zeker het avondwoordje, een korte toespraak of eenvoudig verhaal voor het slapengaan waarin Don Bosco iets over zijn ervaringen vertelde of een inspirerende wenk meegaf. De appreciatie van de jongeren als een leerkracht of opvoeder iets van het leven ter sprake brengt, wijzen erop dat deze behoefte ook vandaag nog levendig aanwezig is.

Door dit alles wordt het opvoedingsmidden, in de loop van het jaar en tijdens de vakantie, zeker op feestdagen maar ook door de week, een gonzende bijenkorf waar steeds iets te beleven valt en waar jongeren op expressieve wijze hun hobby’s kunnen uitoefenen en hun creativiteit kunnen uitwerken. Het zijn allemaal positieve ervaringskansen.

Zonder vrolijkheid en de kunst feest te vieren groeit er geen familiaal leefklimaat. En zonder deze sfeer is een opvoeding in het spoor van Don Bosco niet mogelijk.

Wanneer scholen en opvoedingsinstituten evolueren naar grotere pedagogische eenheden wordt deze behoefte alleen maar scherper. Het zal een nog grotere creativiteit vragen om in deze milieus wegen te zoeken om dit alles mogelijk te maken.

Een assisterende opvoedingsstijl

De pedagogische liefde en het familiaal leefklimaat vinden als vanzelfsprekend een concretisering in een grote psychische en fysische nabijheid van de opvoeder bij alles wat een jongere beleeft en is. Wij spreken dan van een assisterende stijl of gewoonweg van ‘assistentie’.

Etymologisch betekent assistentie ‘aanwezigheid’. Daardoor is al iets van haar pedagogische betekenis verduidelijkt. Assistentie wijst op liefdevolle en geĆÆntegreerde aanwezigheid, die de ontwikkeling van de jonge mens wil stimuleren. Het is een basisbegrip uit Don Bosco’s preventief systeem.

In tegenstelling tot een georganiseerde bewaking of toezicht – eveneens termen uit het pedagogisch handelen – is assistentie een uiting van geloof in en liefde voor de jonge mensen. Het is dus veel meer dan een opletten dat niets verkeerd loopt of een voldoen aan zijn burgerlijke aansprakelijkheid.

Een salesiaanse opvoeder leeft mee met wat zijn jongeren meemaken, interesseert zich voor wat hen boeit, voelt met hen mee en is beschikbaar. Hij spreekt hen persoonlijk aan. Don Bosco had hiervoor een eigen middel, nl. het oorwoordje: een kort, aanmoedigend, troostend, bevestigend of vermanend woord, in het voorbijgaan tot een jongere gesproken.

Assistentie veronderstelt een duidelijke lichamelijke aanwezigheid in een hoge frequentie maar ook een innerlijke betrokkenheid op de jongeren. Men kan niet van assistentie spreken als men niet vaak bij de jongeren aanwezig is, met hen praat, hun leven deelt en hun noden en vreugde beluistert. Eveneens moet gezegd dat men nog nergens staat, indien men enkel lichamelijk aanwezig is, maar niet als toegewijde en geĆÆnteresseerde volwassene overkomt.

Meer dan dat men iets doet, is assistentie een manier van aanwezig-zijn, iets wat men beleeft of in zich heeft. Waar assistentie als een plicht van boven-af wordt beleefd, is de ziel eruit. Een onaantrekkelijk skelet blijft dan over van wat een levende en boeiende pedagogische praktijk kan zijn.

Assistentie heeft ook een voorkomend karakter. Wanneer de opvoeder op een onderhoudende en boeiende wijze bij zijn jongeren aanwezig is, worden misstappen vermeden. Hierdoor vermindert het disciplinair optreden. Meer nog, door zijn voortdurende aanwezigheid kan de opvoeder voor een fijne en gezellige sfeer zorgen waarin de jongere zijn diep-menselijke en pedagogische liefde kan voelen.

De interactie opvoeder-jongere

Waar de jongere zo in de affectieve belangstelling van de opvoeder staat en waar deze het concrete leven van de jongere van zo dichtbij tracht mee te beleven, groeit vanzelf een wederzijdse betrokkenheid op elkaar. Als vierde stijlkenmerk blijven we dan ook staan bij de interactie opvoeder-jongere.

Ook al werd in de voorstelling van het familiaal leefklimaat de waarde van de groepssfeer sterk beklemtoond, toch blijft opvoeden een gebeuren dat zich afspeelt tussen opvoeder en jongere. In deze interactie hebben beiden een eigen inbreng.

De jongeren staan centraal. Zij zijn het die tot volwassenheid moeten komen. In dit opvoedkundig spel mogen zij meespelen zoals zij zijn, met mogelijkheden en gebreken, met kansen en risico’s, met dromen en onvolmaaktheden. Zij mogen verwachten dat deze beginsituatie fundamenteel gerespecteerd wordt.

De jongeren hebben de opdracht geleidelijk kritisch en doordacht in te gaan op het aanbod van de opvoeder. Een grote luisterbereidheid zal hiervoor nodig zijn. Zo ontstaat een ware wisselwerking tussen hetgeen aan mogelijkheden in hen aanwezig is en hetgeen de opvoeder aanbiedt.

De opvoeder van zijn kant moet ook heel wat aanbrengen: oriƎntatie en begeleiding. In doen en laten maakt hij zichtbaar dat hij de jongeren centraal stelt en niet overrompelend en heersend optreedt. Zijn aanwezigheid is eerder animerend: hij brengt spirit en enthousiasme en roept krachten wakker die in de jongeren nog sluimeren.

In de pedagogische aanpak van de opvoeder moeten de jongeren kunnen aanvoelen waar voor hen het goede ligt. De positieve mogelijkheden van de jongeren zal de opvoeder proberen te wekken en te begeleiden. Daartoe zal hij inzicht trachten te brengen in de vele verschillende ervaringen en gevoelens van de jongeren.

Hij zal richting proberen te geven aan hun wisselende stemmingen en waarden. Bij duidelijke afwijkingen zal hij een correctie aanbrengen naar een gelukkige toekomst toe. Hij zal een toegewijde hulp zijn in alles wat het wel en het wee van de jongeren aangaat.

Waar ze bovendien mogen ervaren dat dit kan gebeuren in vertrouwen in hun groeiende mogelijkheden, zal dit niet alleen hun inbreng in deze interactie maar ook de positieve evolutie van hun groei bevorderen.

Uit dit alles moge blijken dat de opvoeder kiest voor een voortdurende dialoog waarin hij zichzelf engageert en schroomvol en waakzaam richting geeft. En in deze dialoog zullen ook de jongeren zich in een kritische openheid engageren.

Een hechte samenwerking binnen de opvoedingsgemeenschap

Dit hele pedagogische programma is niet het werk van Ć©Ć©n persoon. Velen zijn erbij betrokken. Het is een kenmerk en ook een eis van deze opvoeding dat ze gedragen wordt door een hechte gemeenschap. De waarde van de opvoeding zal mede door deze samenwerking bepaald worden.

De salesiaanse opvoedingsgemeenschap is op de eerste plaats de gemeenschap van opvoeders ƈn jongeren: gezamenlijk moet iets bereikt worden. Daarom kan de opvoeding niet gezien worden als iets dat gecoƶrdineerd en gerealiseerd wordt door de opvoeders alleen.

Omdat het voorleven van waarden een zeer belangrijke en onmisbare factor is in de opvoeding, dragen de opvoeders er zorg voor een duidelijke verwijzing naar die waarden. Eensgezind denken, waarderen, appreciƎren en handelen binnen de groep opvoeders, is een vruchtbare weg daartoe. Toch mag er ook verscheidenheid zijn. Niet iedereen leeft elke waarde even intens voor en elke opvoeder belicht Ć©Ć©n of meer facetten uit de totaliteit van de opvoedingsdoeleinden op een eigen manier. Bovendien schept deze verscheidenheid de kans dat alle jongeren binnen de opvoedersgroep iemand vinden in wie zij iets van hun verlangen en van hun toekomstverwachtingen zien, en bij wie zij hun eigen moeilijkheden kunnen uitpraten.

Ook ouders behoren tot de opvoedingsgemeenschap. Zij zijn meestal de opdrachtgevers en de eerste verantwoordelijken. Bovendien hebben zij hun stempel gedrukt op de jongeren die bij ons aankomen. Wat de ouders, bewust of onbewust, aan hun kinderen hebben meegegeven, beĆÆnvloedt in hoge mate de pedagogische aanpak van de opvoeder. Waar de inzet van deze laatste harmonisch inspeelt op de opvoeding thuis, is dit een gunstig gebeuren. Waar ouders de waarden en handelwijze van de opvoeders niet bevestigen, loopt er iets stroef in de opvoeding. Waar jongeren de ervaring van een gebroken gezinssituatie meegemaakt hebben, zal nog meer liefde en aandacht van alle betrokkenen vereist worden om de kansen van deze jongeren optimaal te houden.

Het is dan ook wenselijk met de ouders contact te blijven bewaren, zo nodig te organiseren, wil men het groeiproces van de jongeren zo goed mogelijk bevorderen. Samenwerken met de ouders blijft een opdracht, en werken naar ouders toe is een groeiend aandachtspunt geworden.

Binnen het huidig opvoedingsveld kan er ook beroep gedaan worden op externe diensten, die technische inbreng leveren vanuit eigen bevoegdheid en bekwaamheid. Voor een gelukkige opvoeding is het belangrijk dat de opvoedingsdoelen door een gemeenschappelijke visie gedragen worden.

Tot slot zal de opvoedersgemeenschap zich ervan bewust zijn dat de leefwereld van de jongeren veel ruimer is dan enkel de opvoedingssituatie waarmee zij te maken hebben. Het is hun taak die andere invloeden en acties een positieve en juiste plaats te geven in het leven van de jongeren. Waar de jongeren zichzelf mogen meebrengen in de opvoeding in een familiaal leefklimaat en in een opvoedingsstijl in dialoog, zal de opvoeder oog hebben voor het netwerk van al deze invloeden. Hij zal beseffen dat enkel in een openheid voor en een hechte samenwerking met deze factoren en mensen de opvoeding resultaat kan afwerpen. En hoe ruimer de opvoedingsgemeenschap wordt, hoe meer behoefte er zal ontstaan om samen te bezinnen op welke wijze en met welke bedoeling men aan opvoeding doet. Op zijn eentje salesiaans opvoeden laat een verwaterde smaak na van wat een zinvolle en smaakvolle levensvervulling kan zijn.

Deze gegevens komen uit: Een opvoedingsproject in het spoor van Don Bosco. Lannoo, Tielt.
Te verkrijgen bij: Salesianen van Don Bosco, Fr. Gaystraat 29, 1150 Brussel. Tel. 02/771.21.00.
Fax 02/772.66.86. E-mail: janbosco@innet.be